Ik had de smaak te pakken en wilde verder met de wiskunde, ik was net lekker op gang. Op de Wiskundefaculteit van de VU was er de mogelijkheid mijn vervangende dienstplicht te vullen met het begeleiden van werkcolleges. Die dienstplicht ging min of meer naadloos over in een AiO-schap bij de Analyse-groep van Prof.
Kaashoek aan de VU. Daar had ik een goede tijd, ik zat in een erg actieve groep met veel buitenlandse contacten, ik werd goed begeleid, er waren congressen ver weg, en mijn onderzoek verliep ook nog voorspoedig. Eind 1996 was ik klaar.
Inmiddels was ik zo gespecialiseerd geraakt in een zo theoretische richting dat alleen een verdere universitaire carriere voor de hand lag. Maar de universitaire banenmarkt zat op dat moment potdicht, in ieder geval in Nederland. In die tijd was wel net de hele automatiseringsgolf op gang gekomen, en na 12 jaar wiskunde wilde ik ook wel weer eens iets verder om mij heen kijken. Maar als ik dan toch met computers ging werken wilde ik ook eerst wel echt verstand van computers krijgen. Dus, halverwege 1997, liet ik mij omscholen tot systeembeheerder, bij een detacheringsbedrijf. Die omscholing leek nergens op, ik werd gewoon lekker in het diepe gegooid. Mijn eerste ‘klus’ was bij de helpdesk van dat bedrijf zelf. Ik had een moeizame start, ik wist van toeten noch blazen op automatiseringsgebied, en ik vond het bij dat bedrijf ook niet erg leuk.
Na een paar maanden werd ik geplaatst bij Hooge Huys in Alkmaar, de verzekeringsmaatschappij. Daar ging het een stuk beter. Ik maakte kennis met allerlei systemen en programma’s en technieken, oude en nieuwe, goede en slechte. Zodra het concurrentiebeding het toeliet stapte ik over van het detacheringsbedrijf naar Hooge Huys zelf. In een groot kantoorautomatiseringproject kon ik een aardige rol spelen bij het ontwerpen en implementeren van een standaard PC inrichting voor pakweg 1500 PC’s. Na zo’n drie jaar beheer stapte ik in 2001 intern over naar een programmeerafdeling en daar zit ik nu nog. Het is de afdeling-van-de-toekomst van het bedrijf, we werken volgens de Object Oriented en Component Based methodieken, alleen heeft men destijds helaas voor die afdeling-van-de-toekomst wel voor een taal (Forté) gekozen die inmiddels de concurrentieslag met Java ruimschoots verloren heeft. Met dat Forté maken we een formulieren-inrichtings-syteem waarmee andere (verzekerings-)afdelingen zelf al hun electronische formulieren kunnen maken, compleet met automatische verwerking, ter vervanging van de traditionele papieren formulieren. Maar zelf ben ik de laatste tijd alleen maar bezig met het ontwerpen en maken van een soort toegangspoort die het mogelijk maakt voor onze interne systemen om via het Internet gegevens op te halen bij instanties als RDW voor kentekens en FISH voor fraudeinformatie. En andersom kunnen andere instanties via die poort bij ons bijvoorbeeld premieberekeningen opvragen, schades aanmelden of offertes aanvragen. En dat alles snel en veilig en ‘real-time’. Die poort maken we wel in Java gelukkig.
Zo theoretisch en abstract als ik toen bezig was met de wiskunde, zo praktisch en concreet is mijn werk nu. En zo rustig en grondig als ik mijn onderzoek kon doen in mijn AiO tijd, zo snel en hectisch is het vaak nu. Beide situaties hebben hun goede kanten vind ik. Overeenkomsten zijn er ook. Ten eerste steekt alles natuurlijk logisch in elkaar. Zo niet dan werkt je programma gewoon niet en zie je het voor je ogen fout gaan. Vroeger als ik een fout bewijs van een Stelling produceerde was het veel moeilijker daar achter te komen. Het werken aan de grotere en meer complexe computerprogramma’s vind ik tot nu toe ook net zo uitdagend als destijds het wiskunde onderzoek. En ook het omzeilen of voorkomen van alle zaken die mis (kunnen) gaan en het oplossen van alle problemen die opdoemen vind ik heel vergelijkbaar met destijds het volledig proberen te doorgronden van een wiskundig model of theorie.
En vind ik het nu leuker dan toen? Ja eerlijk gezegd wel. In ieder geval is het best prettig om te zien dat er ook echt iets gebeurt met de spullen die ik aflever, dat er echt mee gewerkt wordt en dat anderen er baat bij hebben. Ik vind het ook wel een enerverende tijd, in een paar decennia is er door die automatisering toch een hoop veranderd, en de komende tijd zullen er ook weer nieuwe technieken of betere versies daarvan bijkomen. Ik vind het erg leuk om dat van dichtbij mee te maken en er zelfs een beetje aan mee te werken. Wat ik nu minder leuk vind is dat ik niet altijd de mogelijkheid heb (vanwege tijd of budget) om de best mogelijke oplossing te bereiken, en om een programma zo efficient en elegant mogelijk te maken. En ook is het altijd vervelend als er managers gaan zeuren of zelfs in paniek raken als ik eens een deadline niet haal. Dat gebeurt nog wel eens…
Maar dat betekent niet dat ik spijt heb van mijn wiskundetijd hoor! Ik vond dat ook een heel inspirerende en uitdagende tijd. Ik heb heel goede herinneringen aan de wetenschap en ben blij dat ik het allemaal meegemaakt heb: het onderzoek, het publiceren, de congressen, de lezingen die ik daar gaf, en niet te vergeten de internationale contacten en het samenwerken met al die mensen. Maar toen kwam daar dus het moment dat bleek: ‘met Wiskunde kun je later toch nog alle kanten op’.
